Dit filmpje kan gebruikt worden om de ouders te betrekken bij het onderzoek en dient voor de professionals als audiovisuele ondersteuning bij de beschreven instructie.
Hoe jong je kind ook is, het is al een eerste stap richting het kruipen als je kind het hoofd kan optillen. Want om te kunnen kruipen, moet je eerst in buikligging je hoofd omhoog kunnen tillen en je billen omlaag kunnen houden. Als je kind op de buik ligt, oefent het de balans van het hoofd en de kracht in de schouders en nekspieren. Zo kan je kind steeds beter het hoofd optillen. Blijf dus regelmatig oefenen met het op de buik leggen als het wakker is, vanaf de geboorte al, totdat je kind zelfstandig van de rug naar de buik kan draaien. Het gaat erom dat je kind actief oefent. Hiervoor is het belangrijk dat je kind op een plat vlak ligt. Dit kun je doen op de grond, in de box, op bed, op een speelkleed of in de kinderwagen.
Instructies voor professionals | |
Achtergronden | |
Ontwikkelingsveld | Grove motoriek. |
Neurologisch aspect | Oprichtreacties van hoofd en romp in buikligging. Zie ook de kenmerken 55 (Heft kin even van onderlaag) en 56 (Heft in buikligging hoofd tot 45 graden). |
Onderzoekleeftijd | Referentiewaarden (percentage dat het kenmerk positief scoort) |
21-22 weken | 97,7 % |
23-24 weken | 96,1 %* |
25-26 weken | 96,1 %* |
*Het kan voorkomen dat een jongere leeftijdsperiode een iets hogere referentiewaarde laat zien dan een oudere leeftijdsperiode. Dit komt omdat de studie uit Den Haag een dwarsdoorsnede onderzoek is. Dat wil zeggen dat de kinderen die in een jongere leeftijdsperiode zijn onderzocht andere kinderen zijn dan de kinderen die in een oudere leeftijdsperiode zijn onderzocht. | |
Onderzoekmethode | |
Uitgangspositie kind | Het kind ligt bloot op zijn buik op de onderzoektafel met het hoofd in de middenstand. |
Uitvoering onderzoek | De onderzoeker mag het kind stimuleren door op ooghoogte tegen hem te praten. Daarbij mag hij het kind niet aanraken.
Indien de gewenste respons niet kan worden geobserveerd, verzoekt de onderzoeker de ouder om tegen het kind te praten. Uiteraard mag ook de ouder het kind niet aanraken. |
Observatie | De onderzoeker observeert houding en beweging van hoofd, romp, armen en benen en let daarbij op de oprichtreactie van hoofd en romp. Hij gaat na of het hoofd minstens tien tellen wordt opgericht en of de thorax van de onderlaag los komt. Verder let hij op de wijze waarop het kind met de armen of handen op de onderlaag steunt. |
Beoordeling | |
Positief | Het kind ligt symmetrisch. Het kind heft gedurende minstens tien tellen het hoofd zo hoog op, dat het gelaat een hoek van 90 graden maakt met de ondergrond. De thorax komt daarbij los van de ondergrond; de nek blijft zichtbaar. Het kind steunt op de onderarmen of op de handen, de ellebogen zijn dus voor de schouderlijn. In het eerste geval zijn de armen gebogen, in het tweede geval zijn zij gestrekt, waarbij de thorax verder van de onderlaag loskomt. Het bekken rust plat op de ondergrond, de benen zijn overwegend gestrekt (zie figuur). |
Negatief |
|
Registratie | + Bij positieve respons. - Bij negatieve respons; onder ‘opmerkingen’ registreren op grond waarvan de respons negatief werd beoordeeld (bijvoorbeeld minder dan tien tellen geheven hoofd, < 90 graden geheven hoofd, asymmetrische houding met uitleg). |
Discipline | JV, VS en JA mogen dit kenmerk uitvoeren. |
Informatie over overleg / consultatie | Indien de JV het kenmerk uitvoert volgt op een negatieve score altijd overleg met VS/JA. Bij alarmsymptoom op korte termijn consultatie van de VS/JA. |
Advies | Het onvoldoende oprichten van het hoofd en niet steunen op de onderarmen kan ook een gevolg zijn van te weinig stimulans, omdat het kind altijd op de rug wordt gelegd. Het advies aan de ouders is dan om als het kind wakker is, om de grof motorische ontwikkeling te stimuleren, door uitsluitend onder toezicht, het kind ook op de buik te laten liggen. Bespreek het oefenen op de buik onder toezicht. |
Alarmsymptoom | Extreem en dwangmatig oprichten van het hoofd (imperatieve opisthotonus is altijd pathologisch, (Touwen, 1990) en asymmetrie. Dit kan ook in rugligging worden geobserveerd en moet onderscheiden worden van overstrekken van nek en rug, dat variabel (dus: niet imperatief) aanwezig kan zijn bij vooral actieve kinderen in de leeftijd van 1 tot 3 maanden. |
Heb je een gebruikersaccount? Dan ontvang je van ons een mail om je account opnieuw te activeren.